Therīgāthā

2.3. Sumangala's moeder

Zo bevrijd! Zo bevrijd!
Zo door en door bevrijd ben ik!
van mijn stamper,
van mijn schaamteloze man
en zijn gemaakte schone schijn,
mijn aarden oude pot
met haar reuk als van een waterslang.

Haat en hartstocht
hakte ik af met één slag.

Aangekomen bij de voet van een boom,
mediteer ik,
opgegaan in de zegening:

‘Wat een zegening!’